vrijdag 7 september 2012

De eerste keer . . .



De eerste keer . . .

‘Opa, goon veer noe de gròtte in?’

Dat zal ik zo snel niet meer vergeten: je kleinzoon die na lang twijfelen het toch aandurft om met zijn Opa het ondergrondse te betreden!

Er is heel wat tijd overheen gegaan, maar uiteindelijk heeft Puk zich toch aan zijn belofte gehouden om met opa de berg te gaan verkennen.
Op een van onze vele wandelingen in het bos van Caestert liet hij zich op 5 jarige leeftijd ontvallen: ‘als ik 6 ben ga ik met jou de grotten in’, dan ben ik groot genoeg en niet meer bang.

Het idee om eens samen de groeve te gaan verkennen was al vaker het onderwerp van de gesprekjes geweest die een berglopende opa voert als hij met zijn kleinkind op “avonturenwandeltocht” is.
Avonturenwandeltocht is zo’n wandeling die niet over bestaande paadjes gaat, maar meer door het struikgewas gaat en vol met klauteren, klimmen en afdalen zit, iets waar de helling van de Sint Pietersberg zich uitstekend voor leent.

Uiteindelijk werd 6 toch weer 7 jaar, en prompt de dag na zijn zevende verjaardag kwam dan toch die vraag: zullen we straks eens naar de grotten gaan?
Hé Puk weet je dat zeker?
Een paar weken eerder was hij bij een wandeling over de “Thier de Lanaye” met zijn vele kleine ontginningen nog buiten blijven staan bij een grotje van nauwelijks 10 meter diep.
Ja ja, ik heb gezegd als ik 7 ben ga ik met Opa de grotten in en nu ben ik zeven.

Oké, antwoord Opa zo “cool” mogelijk om zijn enthousiasme een beetje te onderdrukken want hier heeft hij lang op moeten wachten, en voor dat je het weet veranderd het kleine menneke weer van gedachten want zo zijn kinderen nu eenmaal,weet je het echt zeker?

En zo gaan we op pad. Vooral met voldoende licht!
Opa met de Coleman en Puk met de Maglite: dat vind hij wel ruig zo’n grote echte zaklamp.

Aangekomen bij de ingang van Caestert besluit ik om de lamp maar buiten aan te steken, dan hoeft de kleine man immers de grote grot niet helemaal in het duister te betreden!

De eerste meters gaan wel aan de hand van Opa! Twijfel is er gelukkig niet, en al snel voel ik aan dat Puk weliswaar niet helemaal op zijn gemak is, maar ook zeker niet angstig. Dat is geruststellend.

Ik besluit voor een simpel, niet te moeilijke korte wandeling. Voor de kenners: het kapellengedeelte, direct na de ingang bij het meetpunt links.
Ik weet dat Puk silex wel sjiek vind en dat ligt daar met grote hopen . . .

Het blijkt een goeie gedachte want de grote hoge gangen boeien hem niet zo maar de stapels silex maken grote indruk, en enthousiast begint de kleine man dan ook gelijk te stapelen en verplaatsen.
Nou, hier wil ik nog wel even blijven spelen oppert hij nadat ik zelf al een aantal keren heb voorgesteld om nog een stukje verder te lopen.
Vervolgens realiseer ik me ook dat de interesse van een zevenjarige in een mergelgroeve kilometers af staat van een volwassene die in dezelfde groeve alleen maar denkt aan de historische en culturele waarde van de plek. Ik ga er maar even bij zitten en laat hem lekker stenen sjouwen:
‘kiek Opa dàt is sjiek hè’. . . . ‘Jao jong dàt is sjiek’ zeg ik dan maar tevreden.

‘Wienie goon veer weer ins Opa’ vraagt Puk als we een klein uurtje later weer bij de uitgang staan. Als je het leuk vind doen we het snel nog een keer is mijn antwoord, en vervolgens geeft hij te kennen bij de uitgang ook nog wel even te willen blijven spelen: er liggen daar behoorlijk wat stenen om te versjouwen . . .

Meer blogartikelen in PDF versie vind je hier



maandag 13 augustus 2012

Slim






Slim

Bovenstaande afbeeldingen laat ons een “kolom” zien.
Kolommen zijn normaliter de wanden van een groeve waar je langs loopt, en vaak zijn die kolommen zo groot ( 4x4 of zelfs 8x4 of 8x8 meter) dat je het niet eens in de gaten hebt dat het pilaren zijn.

In de ondergrondse (mergel)winning moet je een grote hoeveelheid materiaal laten staan om de stabiliteit te garanderen.
Gangbreedtes en kolomafmetingen waren heel vaak voorgeschreven, maar natuurlijk niet voor alle groeves. In de zogenaamde “boerenbergjes”
werd er vaak gewerkt naargelang de situatie, en dan kom je wel eens een klein pilaartje tegen!

Dat kan verschillende redenen hebben:
Roofbouw, dan zijn er gewoon voor het gemak nog een aantal blokken weggezaagd van de kolom wat overigens een gevaarlijke bezigheid is
( het hele dak van de groeve rust immers op de kolommen)

Of: de techniek waarmee de bergwerkers het gevaar van een leeglopende aangesneden aardpijp hebben bestreden: het laten staan van een kolom waarin de aardpijp zich bevind.

Hoewel het hier een bekende werkwijze betreft kom je het niet zo vaak tegen in de ons bekende groeves.
In een enkele groeve is het echter een aantal keer te zien en dat wil ik de lezer niet onthouden.
Op de bovenste foto de gehele kolom, op de tweede afbeelding de bovenkant met duidelijk de aardpijp.

Er bestaan natuurlijk veel kolommen met aardpijpen erin maar die zijn nooit aangesneden bij de ontginning.
De doorgaans ervaren blokbrekers hoorden bij het hakken en zagen al of er een onregelmatigheid zoals een aardpijp aanwezig was en konden dus op voorhand al beredeneren hoe ze deze storing konden omzeilen.
Evengoed is dit ook vaker misgelopen en stroomde er tonnen materiaal zoals zand, klei, en stenen de gangen in, wat op menige plaats nog te zien is.

Bij een kleine storing liet men ook vaker alleen een blok aan het plafond zitten waarin de aardpijp dan bleef opgesloten, en dat resulteerde wel eens in een zogenaamde “drup”.
Regen of grondwater in de aardpijp sijpelde dan langzaam in het blok en eenmaal verzadigd begon dit te lekken met een gestaag vallende drup.

Een heel bekend voorbeeld is de negendrup in het gangenstelsel Slavante
Vanuit het blok aan het plafond viel welgeteld iedere negen seconden een druppel helder water, en dus was deze negendrup al honderden jaren geleden een heuse attractie in de Maastrichtse grotten!

De nostalgische zwart-wit foto toont ons de beroemde negendrup


vrijdag 27 juli 2012

(Tijd) Muur


(Tijd) Muur

Een beetje rare titel geef ik toe, maar zo zie ik dit simpele muurtje.

Mogelijk is het is opgetrokken door blokbrekers, het kan ook een champignonkweker geweest zijn, voor de veiligheid.
Een aangesneden aardpijp was de reden. Het is een simpele doch doeltreffende manier om te voorkomen dat zo’n aardpijp leegstroomt en dus voor veel ongemak en natuurlijk ook wel gevaar zorgt.

Zo een mooi muurtje geeft direct weer de gelegenheid om het vol te schrijven, dàt, zo weten we inmiddels heel goed, is immers van alle tijden!
Is dit muurtje dan zo apart? Nou, niet helemaal en misschien niet voor iedereen maar het valt wel op dat het helemaal vol staat! Van beneden naar boven en van links naar rechts . . .

Het zijn niet eens oude opschriften, en dat zou wel eens kunnen komen doordat dit stukje groeve in Ternaaien-boven een doodlopend stukje is, en ook nog eens vlak bij de ingang.

Bij nadere bestudering komen we wat namen tegen van mede-berglopers, gedateerd begin jaren zeventig. In die tijd werden deze stelsels zo’n beetje herondekt door de nu grijzende generatie berglopers waarvan je bijna zeker weet dat ze op deze plek niet snel zullen terugkeren omdat ze weten dat het doodloopt hier.

Des te leuker is het dus om het weer eens te zien na al die jaren, en even te mijmeren over de namen die er staan: och die ja, pfff die heb ik al lang niet meer gezien, en ooh die daar, zou die nog in de berg lopen? . . . .

dinsdag 5 juni 2012

Blokbreken




Vreemd dat het in dit blog nog niet helemaal behandeld is: het blokbreken

Het is natuurlijk wel vaker benoemd in enkele van de vorige artikelen, maar nog niet uitgelegd.
Het is ook wel wat moeilijk om het stap voor stap begrijpelijk uit te leggen, zeker voor niet berglopers, en vele medeonderzoekers hebben het ook al eerder gedaan.

Een goede reden om dus niet in herhalingen te vallen is te verwijzen naar deze link op de site van Troglocaris die dat prima weet uit te leggen.

Voor een beetje inzicht over het breken het volgende:
Het eerste blok werd met stootbeitel van het plafond losgemaakt.
Daarna werd de zijwand met een zaag losgezaagd
Als het blok rondom is losgezaagd, zit het alleen nog aan de achterzijde vast. Met behulp van keggen wordt het blok van de achterwand losgebroken.
Nadat het eerste blok naar voren is gekanteld, ontstaat een soort nis: 't schap. Deze ruimte kon de blokbreker benutten om de achterzijde van het volgende blok los te zagen.

 

Wat valt er verder dan nog te melden over dit blokbreken vraagt de lezer zich dan ongetwijfeld af.
Welnu, er zijn de verschillende methoden die gehanteerd worden, die op hun beurt weer van maat verschillen. Men spreekt over de “Sibber”wijze en de “Canner” wijze, maar ook over de “Pietersblokken”.
Iedere streek heeft wel zijn eigen manier, al komen die wel in grote trekken overeen, vooral als het gaat over de manier van winning.

Bij de Sibber wijze, de meest toegepaste, die het voorbeeld weer geeft zien we de “groete sjtool” van vaak 1.75 mtr. hoog en ongeveer 60 cm. breed en diep waarvan men later de blokken zaagt in de maat die nodig is.
Bij de Canner wijze werd vaak gelijk een kleine maat blok in het werkfront gezaagd wat heel duidelijk aan de zaagsporen aan de wand nu nog zichtbaar is.
De “Cannerblok” werd natuurlijk ook als maat gehanteerd als hij op een andere wijze gebroken was!

Een mooi voorbeeld is een deel van de productie uit de Roother groeve:
Gebroken op de Sibber wijze met stoelen (blokken) tot wel 5 meter hoog, ongeveer 53 centimeter breed en 80 centimeter diep die ter plekke verzaagd werden tot Cannerblokken van 20 x 24 x 40 centimeter, waarvan 24 altijd de hoogte is. Dit laatste is belangrijk in verband met de verwerking omdat mergel een sedimentgesteente is (laagjes) en uiteindelijk weer in de zelfde richting verwerkt moet worden als het gewonnen is. De metselaar wist dus dat die 24 centimeter altijd de hoogte was van de steen.

Om aan te geven hoe zwaar het blokbrekersvak wel was:
Uit een hierboven beschreven stoel uit de Roother groeve zaagde men ongeveer 100 Cannerblokken die in de groeve, in verband met de hoge relatieve vochtigheid, wel zo’n 30 kilo per stuk wogen!
Een ploeg bestond uit 2 mannen, een blokbreker en een zager, die 1 stoel per dag braken en verwerkten. Het werkfront vorderde dus ongeveer 80 centimeter (de diepte van de stoel) per week.

Bekend is dat er in de late middeleeuwen zo rond 1500 hele gangenstelsels zijn ontstaan door bijna “industrieel” blokbreken.
Tientallen ploegen werkten er aan verschillende fronten tegelijk in een gestaag tempo en zo ontstond er in een relatief korte tijd een doolhof aan gangen.

Als voorbeelden dienen hierbij de verschillende groeves in de Sint Pietersberg. Het centrale gedeelte van Caestert (een van de meest zuidelijke groeves in de Pietersberg) en, wat dichter bij huis, de Zonneberg.
In de laatst genoemde is vooral het gedeelte wat men nu de “Bloemenweg” noemt een grote, maar vooral snel tot stand gekomen ontginning lopend van Zuid naar Noord.
Letterlijk dus want de graafrichting is vanuit Slavante naar het Noordelijk gangenstelsel waar het dan uiteindelijk ook op aangesloten is.
Daar zijn dan ook grote “stoelen” gebroken, en in een snel tempo letterlijk honderden meters gemaakt.
Dat is ook het verschil met “Noord”: een minder uitgestrekt stelsel met lagere gangen waar ook duidelijk langer over gedaan is vooraleer het uitgeput was aan goede mergel.
Meer een soort van “Boerenbergske” waar men vooral in de wintermaanden actief was, en later zelfs alleen voor eigen gebruik van de plaatselijke bewoners: de Sint Pieternaren.

Blokbreken wàs en is nog een vak!
Meestal was er sprake van echte blokbreker-familie’s.
Het vak ging dan als bijna vanzelfsprekend van vader op zoon. De kinderen gingen, zodra ze in staat waren om het zware lichamelijke werk te verrichten, mee de groeve in, alwaar ze dus al jong het vak leerden.

Veel voorkomende namen van generaties blokbrekers zijn: Koolen en Gilson uit Canne, Montulet van Sint Pieter.
Eberhard en Penninger waren blokbrekers die ook nog als gids heel bekend waren.

Tegenwoordig wordt er alleen in de Sibbergroeve nog mergel gewonnen voor de bouw, hoofdzakelijk voor restauratiewerk zie dit blogartikel

Meer blogartikelen in PDF versie vind je hier

dinsdag 15 mei 2012

De Collasberg

Tja, zo vaak gebeurt dat niet: een vergunning om een van de talrijke groeven in de omgeving van Zichen-Zussen-Bolder te bezoeken. Dit alles in het kader van de SOK (Studiegroep Onderaardse Kalksteengroeven) ledenavond op locatie. Het wordt al een heuse traditie, de laatste ledenavond van het seizoen afsluiten op locatie met een dwaaltocht in een, voor de meeste SOK leden, onbekende groeve. Na onder ander de “Lacroix, de “Coolen” en de “Pitjes” was nu de “Collasberg” aan de beurt. Verscholen achter de huizen aan de kant van Zussen ligt de ingang van deze groeve. Een echte “boerenberg”, dat zie je al bij de ingangspartij: laag, bijna onopvallend gewoon een gat waar de boer wat spullen heeft staan. Eenmaal binnen vind je, vooral in het toegangs-gebied, nog de vele resten van de champignonkweek die hier tot voor enkele jaren werd bedreven. Gangen, gangen en nog eens gangen, dat kenmerkt deze groeve. Ja, hoor ik de lezer al denken, dat is toch normaal in een groeve, maar in de meeste van de ons bekende groeven zijn die gangen hoog en de kolommen die de wanden vormen breed en regelmatig. Hier niet dus. Deze groeve is net een heel grote kelder, een aaneenschakeling van talloze ruimtes. De ene na de andere ruimte vormt al snel een doolhof waar je, vooral als je dit voor het eerst bezoekt, ook zo de draad kwijt bent. Gelukkig was de figuurlijke draad er ook letterlijk: een aan het plafond bevestigde elektriciteitsdraad en een waterleiding (resten van de eerder genoemde champignonkweek) zijn nog altijd prominent aanwezig in deze groeve en staan dan ook min of meer borg voor het terug vinden van de uitgang. Niet nodig op deze avond want het wemelde er van de ervaren SOK berglopers, die met veel licht, iedere loper had zijn of haar favoriete lamp meegenomen, het stelsel bestudeerden. Bijgestaan door de “hulpdienst groeven” van de gemeente Riemst werd het een interessante avond met veel mooie ontdekkingen. Voor de veiligheid waren er enkele delen niet toegankelijk zoals de “doorsteek” naar de Lacroixberg, maar er bleven genoeg mooie stukken over waaronder een heuse “onderberg” (een gangenstelsel onder het gangenstelsel) waarin nog een onaangetast blokbrekers-landschap te zien is. Kortom een supermooie ervaring op een gewone doordeweekse vrijdagavond, met vooral het gevoel dat het gewoon mocht: legaal en mèt hulp van de gemeente Riemst. Tof zeggen ze dan in België!

woensdag 18 april 2012

Vleermuis Wetenswaardigheden


Vleermuis Wetenswaardigheden

Wie nu denkt dat het onderzoeken van opschriften in de mergelgroeven altijd een serieuze bezigheid is heeft het mis.
Soms kom je wel eens iets tegen wat er heel serieus uitziet, maar bij nadere bestudering blijkt dan dat er alleen maar onzin staat.

Al eerder besteedde ik aandacht aan het potjeslatijn Etis Nepis , en nu trof ik op een berglopersforum een foto aan van een stel collega-berglopers, jhman en Robert genaamd. De foto is gemaakt in de Bronsdaelgroeve.
In een mooi en duidelijk leesbaar handschrift, waar gegarandeerd heel veel tijd in is gaan zitten om het te maken, staat er de volgende onzin te lezen:

“Vleermuis Wetenswaardigheden

In de Zuid Limburgse mergelgroeven komen vleermuizen voor.
De vleermuis is een beschermde vogelsoort.
De vleermuis is een trekvogel die ’s-zomers in Afrika leeft.
Ze brengen vaak ziektes mee en kunnen ook hondsdolheid krijgen.
Ze blaffen dan als honden hetgeen je op de winteravonden dan ook kunt horen.
Vleermuizen houden een winterslaap.
Ze hangen dan aan hun kop aan het plafond.
Af en toe worden ze wakker om met hun soortgenoten te vrijen, of omdat ze dorst krijgen.
Ze likken dan hum vel af, waarna ze weer fijn droog zijn en de dorst weg is.
Vleermuizen hebben een soort radar waarmee ze hun weg kunnen vinden. Deze radar stoort soms zelfs de vliegtuigen.
Het is eens gebeurd dat een piloot bijna in een mergelgrot geland was.
Hij had gelukkig op het laatste moment in de gaten dat zijn vleugels niet door de ingang van de grot gingen.
Tegenwoordig kun je met apparaatjes het geluid van de vleermuis-radar horen.
Het is een soort mitrailleur geluid.
Hiermee kan hij een vliegende mug neerschieten, waarna hij deze opeet.

Nu nog een verzoek als het effe kan.
Straks komt misschien nog een andere fan die wil dat verhaal ook wel eens lezen gaan.
Laat het daarom onbeschadigd staan.”
EGI


Er heeft klaarblijkelijk ooit eens een tekening bijgestaan maar die is uitgeveegd. Het is ook mogelijk dat er een oudere tekening heeft gestaan die niet bij dit opschrift hoorde, want ook rechts ernaast ontbreekt er iets wat eens in rood krijt is gemaakt.

Kortom een grappig iets wat de mergelgroeven maakt tot wat ze zijn:
Een uitlaatklep voor alle rangen en standen, serieus of juist niet.
Ik ben inmiddels al op zoek naar nog meer van deze leuke opschriften of boerenwijsheden, en als ze de moeite waard zijn zal ik ze zeker in dit blog kenbaar maken!

Meer blogartikelen in PDF versie: Mellegerkalleping

zondag 1 april 2012

Uit de oude doos 4: “Strijd om krijt” (6)



Uit de oude doos 4: “Strijd om krijt” (6)

Voor dat je begint te lezen: onderstaand verhaal bestaat uit een aantal hoofdstukken, dus scroll even naar beneden tot aan het blog van 25 januari; daar begint dit verhaal met een inleiding

Na deel 4 nu het laatste deel:

Hoofdstuk 5: “Toeristen en smokkelaars”

“Toerisme en smokkelhandel, door deze twee zaken is de St. Pietersberg lange tijd het meest bekend geweest. In de gangen die op Belgisch grondgebied doorlopen is vaak een verwoede strijd tussen douaniers en smokkelaars gevoerd, waarbij de laatste lang niet altijd in het nadeel waren.
In de tweede wereldoorlog vond wel een heel kostbare smokkelwaar zijn weg door de onderaardse gangen. Meer dan 70 geallieerde piloten werden door de Nederlandse verzetsmannen aan hen Belgische collega’s van de Witte Brigade overgegeven.

Interessant is ook het dierenleven in de grotten. Eeuwenlang heeft men gedacht dat in deze onderwereld geen dierlijk leven mogelijk zou zijn. Nauwkeurig onderzoek heeft echter geleerd dat er een groot aantal cavernicolen of grotbewoners bestaan, die zich wonderwel aan het leven in deze eeuwige nacht hebben weten aan te passen.
Behalve deze echte grotbewoners waaraan de St.Pietersberg heel rijk is vindt men er allerlei soorten vleermuizen die hier hun winterslaap doorbrengen. Na deze winterslaap kruipen de wijfjes bij elkaar naar de “kraamkamers” waar de jonge vleermuizen ter wereld worden gebracht.
Nog enige tijd blijven de vleermuisbaby’s in deze kraamkamers tot ze zelfstandig zijn geworden en een eigen vleermuizenleven gaan beginnen.

Een andere bezienswaardigheid zijn de bedden met champignons die hier bij de gelijkmatige vochtigheid en temperatuur uitstekend willen groeien. Het onderaardse weefsel van deze paddenstoelen wordt in paardenmest uitgepoot. De bedden met hun typische hoge driehoekige vorm worden dan met een laag mergel bedekt, waaruit na enkele maanden de smakelijke champignons te voorschijn komen.

Een der opwindendste momenten in de geschiedenis van de berg was de periode van de twaalf opwindende, angstige dagen vóór de bevrijding van Maastricht in september 1944. Bijna 15.000 Maastrichtenaren hadden hier toen een veilig onderkomen gezocht. In de berg had men een broodbakkerij en een installatie voor de watervoorziening. Ja, zelfs een kraamkamer was aanwezig. In de ondergrondse kapel zijn in deze emotievolle dagen twee kinderen gedoopt.

En thans is weer een belangrijk, misschien wel beslissend ogenblik in de geschiedenis van de St.Pieter aangebroken.
Eeuwenlang heeft men bouwsteen uit de berg gezaagd, zodat de oppervlakte eigenlijk slechts rust op een groot aantal kolommen die men met het oog op de veiligheid wel moesten laten staan. De fijngemalen kalkmergel is een prima mestsoort en heeft daarom ook al gauw de belangstelling van de gravers gehad. Maar belangrijker nog is de verwerking van mergel tot cement. Klei, pyriet, water, steenkool, gips maar vooral mergel, dat zijn de grondstoffen waaruit men het tegenwoordig zo belangrijke cement maakt.

Twintig jaar geleden was Nederland geheel op het buitenland aangewezen met het gevolg dat dit buitenland in veel gevallen de prijs kon voorschrijven. Het jaar 1928 wordt voor de St.Pietersberg, die tot nog toe bovengronds gepaard is gebleven, een belangrijk jaar. Geweldige machines beginnen grote stukken uit de zachte flanken van de berg te vreten.
In 1927 is de eerste steen voor de fabriek van de ENCI gelegd en een jaar later beginnen de vier zware schoorstenen van het machtige fabriekscomplex al te roken. En daarmee verdwijnen veel illusies van natuurvrienden eveneens in rook. Voorlopig blijft een smalle strook langs de Maaskant gespaard, als ware om te verbergen hoe de berg in zijn binnenste wordt aangetast.

Steeds groter wordt in Nederland de vraag naar cement. Vóór de oorlog was deze al meer dan 1 millioen ton per jaar en men verwacht dat dit verbruik in de naaste toekomst zal stijgen tot 1.5 millioen ton. Met haar jaarproductie van 500.000 ton kon de ENCI voor de oorlog ongeveer de helft van de Nederlandse behoefte dekken. Daarom lagen al in 1939 plannen voor een flinke uitbreiding gereed. Door de huidige cementschaarste die een van de oorzaken is van de aanzienlijke vertraging in de wederopbouw is een geheel nieuwe situatie ontstaan. Dit heeft gemaakt dat de regering is heengestapt over de ernstige bezwaren tegen de verminking van een stukje natuurschoon en aan de ENCI voor 60 jaar concessie heeft verleend haar werk voort te zetten.

Zestig jaar, een lange tijd. Tot dusverre werden de vergunningen, nodig voor de afgraving, om de twee jaar verstrekt met het gevolg dat het bedrijf waarin millioenen zijn belegd in voortdurende onzekerheid bleef verkeren. Soms had men slechts voor drie maanden grondstoffen.
Dit alles wordt nu anders. Het bedrijf zal worden uitgebreid tot een jaarproductie van 750.000 ton. In de nabijheid van de Belgische grens zal waarschijnlijk een nieuwe fabriek verrijzen die de oude een handje gaat helpen.

Is de berg nu gedoemd te verdwijnen en moeten we dus werkelijk spreken van een ter dood veroordeelde? Zo erg is het gelukkig niet. Waarschijnlijk zal in de toekomst een 100 ha van de ruim 400 ha worden ontgraven. In elk geval zal het buitenaanzicht niet zo heel veel veranderen. Het voorstuk van de berg met de grote en historische grotten met hun vleermuizen en champignonteelt blijft geheel gespaard.

Ja, de directie van de ENCI heeft zelfs originele plannen. Het afgegraven middenstuk van de berg zal geen woestenij worden, maar er wordt een aantrekkelijk binnenmeertje worden aangelegd omringt door bomen en bospartijen. Een drietal grote maquettes laten de toestand zien van heden, maar ook die over 25 jaar en zelfs over 120 jaar zien. Er gaat iets verloren, dat is zeker. Maar laten we hopen dat ons nageslacht er iets voor terug krijgt. En laten we ook niet vergeten dat de woningen van de kalkdiertjes die millioenen eeuwen geleden in de krijtzee leefden thans toch in elk geval meehelpen aan de woningbouw in ons dichtbevolkte landje.”
IVIO december 1948.
***

Tot zover het verhaal. Ik heb het overgenomen zoals het geschreven is in 1948. Eigenlijk zou het een inleiding moeten zijn voor mijn blog, omdat bijna alle meer dan honderd voorgaande artikelen aansluiten op dit verhaal. De (anonieme) schrijver van ruim 62 jaar geleden neemt geen standpunt in over de ontwikkelingen van destijds. Het is helder dat, in het kader van de wederopbouw van ons land, bepaalde materialen zoals cement nodig waren. Dat daar de zo mooi beschreven Sint Pietersberg mee verminkt werd, het zij zo. De natuurliefhebbers zouden er immers een mooi gebied voor terug krijgen . . . .


De zwart-wit foto is van lang vóór de grote fabrieksuitbreiding waar het verhaal mee afsluit, hier is zelfs nog geen sprake van de eerste fabriek. Wel is al heel goed de vorm te zien die men voor ogen had met de zogenaamde “coulisse”; een strook berg laten staan tussen de groeve en de Maas.
De kleurenfoto toont ons het gapende gat wat de ENCI uiteindelijk achterlaat in een cultuur historisch, onvervangbaar stuk natuur, boven én ondergronds, wat de Sint Pietersberg ooit was. Ter oriëntatie is de hoeve Lichtenberg in een geel kader.
Tot op de dag van vandaag moeten wij ons hoeden voor de logge natuurverslindende industrie die ENCI heet, en telkens weer opnieuw probeert, onder het mom van “economische vooruitgang” een stuk berg weg te graven.
klik op de afbeeldingen om deze te vergroten

Bron: IVIO/ A-O nummer 236/17 december 1948.
De foto’s komen uit het ENCI archief

Voor het downloaden van een PDF versie van (bijna) alle blogartikelen: Mellegerkalleping