dinsdag 8 juli 2014

De Gebroeders Eijssen van Sint Pieter










De Gebroeders Eijssen van Sint Pieter

In SOK mededelingen nummer 60 staat een artikel van mijn hand over de nazaten van Joannes Eijssen, een bewoner èn zelfs burgemeester van Sint Pieter bij Maastricht tussen ruw weg 1700 en 1750.
Enkele van deze mannen waren regelmatige bezoekers van de in de buurt gelegen mergelgroeven en lieten daar hun sporen achter . . .

Het begint allemaal met een tekening in de groeve “Caestert”, gelegen te Klein Ternaaien vlak over de grens bij Maastricht.
Ergens eind jaren zeventig van de vorige eeuw zie ik die tekening voor het eerst, en was er van onder de indruk. 


Hoe is het mogelijk dat het er nog staat na al die jaren, de tekening is immers gesigneerd en voorzien van een jaartal.
1744 staat erbij, dat is nu bijna 270 jaar oud, en dat allemaal op ooghoogte je steekt je hand uit en je kunt het zo aanraken!
De tekening staat in een zijgang vlak bij een druk belopen hoofdgang, dat zal de reden zijn dat hij redelijk goed de tijd heeft doorstaan.

Er staat ook een naam bij maar, om eerlijk te zijn, kon ik die niet lezen.
Het staat er wel duidelijk, maar het duurde even voor ik door had dat de sierlijke krullen een S voorstelden in plaats van een F.


Hoc Fecit Willem Eijssen anno 1744: Willem Eijssen heeft dit in 1744 gemaakt staat er met een zwierig handschrift bij. Schijnbaar toch een geletterd iemand in die tijd denk je dan spontaan.
De eerste de beste blokbreker zou het op die manier niet zo kunnen schrijven.

De ietwat primitieve tekening is overigens een religieuze voorstelling:
We zien Jezus aan het kruis.
Het bloed stroomt uit beide handen, en wordt opgevangen door engelen die zich aan weerszijden van het kruis bevinden.
Het gereedschap van de beulen, een tang, de hamer en enkele spijkers zijn onder het kruis afgebeeld, evenals een haan, het symbool van waakzaamheid.
Aan de linkerzijde zien we nog een ladder, en beneden rechts een duif, het symbool van de Heilige Geest.

Helaas is de tekening niet helemaal onberoerd gebleven, het gezicht van Christus en een de engelen is met roet besmeurd.
Jammer, maar al met al we kunnen stellen dat de tekening de tand des tijd (voorlopig) goed heeft doorstaan.

Vele jaren later en talloze bezoekjes bij dit opschrift verder
krijg ik, geïnspireerd door de “wie was wie” artikelen van collega bergloper John Caris, het idee om de maker van het opschrift, Willem Eyssen, eens nader te onderzoeken.
Al snel blijkt dat er wel wat Eijssens rond hebben gelopen in de mergelgroeves bij Maastricht, reden voor een overzicht.

Om een begin te krijgen starten we met een vroegere bewoner van de hoeve Caestert: Jan (Joannes) Eijssen en zijn vrouw Anna Maria Berden.

Deze Jan Eijssen oorspronkelijk uit Voerendaal (21 februari 1675) was gezworene, en later enkele malen burgemeester van de vrije heerlijkheid Sint Pieter, tevens was hij brouwer en bewoner/pachter van de voor ons zo bekende hoeve Caestert.
Jan is overleden 25 april 1747 en werd begraven te St. Pieter.
Zijn vrouw Anna werd gedoopt op 29 oktober 1681 te Hoesselt (België).
Zij overleed 12 oktober 1764 te St. Pieter en werd ook begraven te St.Pieter.
Hun (gerestaureerde) grafsteen is nu nog te bewonderen op het kerkhof aldaar.

Joannes en Anna Eijssen kregen vanaf 1706 tot 1727 in totaal 12 kinderen, maar ik beperk in dit verhaal tot de zonen waarvan ik een opschrift heb kunnen vinden.

Willem Eijssen, de maker van de tekening waar het verhaal mee begint, werd gedoopt op 26 januari 1711, zijn doopnaam is Guilielmus.
Hij is de derde zoon, en het vierde kind van Jan (Joannes) Eijssen en Anna Maria Berden.
Willem, naar ik aanneem de tekenaar van de kruisiging, heeft letterlijk en figuurlijk goed geboerd in zijn tijd:
Op 3 augustus 1750 wordt hij als poorter van de stad Maestricht ingeschreven in het “cremers” ambacht 
( het gilde van de handelaren)
Dat verklaard mogelijk ook dat hij de schrijfkunst machtig was, wat de aanleiding gaf tot dit artikel.

De oudste broer van Willem, Joannes Franciscus Eijssen, gedoopt 8 januari 1706, vinden we ook in Caestert terug: als inkrassing met de tekst

IOANNES EYSSEN
ANNO 1738
GETRUIDISSCHILLINX


Hij was gehuwd met Gertrudis Schellinx of Schillings uit Voerendaal
Ook Joannes was grondeigenaar en landbouwer en overleed te Voerendaal in het jaar 1747.

In de groeve Ternaaien - Boven ook wel de aardappelenberg genoemd
komen we ook een Joannes Eijssen tegen, samen met een Leonardus.
Deze Joannes is mogelijk de oudste zoon van Joannes Franciscus Eijssen en Gertrudis Schillinx, dus een wat jongere generatie Eijssen.
Uit het huwelijk van Joannes en Gertrudis is een zoon bekend met de naam Joannes (gedoopt 28 april 1729)

Joannes heeft enkel het jaartal 1747 bij zijn naam staan.
Overigens is 1747  ook het sterfjaar van Joannes Franciscus, en het kan natuurlijk zo zijn dat het opschrift wat we zien dat van zijn zoon Joannes Eijssen, die op dat moment dus ongeveer 18 jaar oud is.

Bij Leonardus Eijssen, de jongste broer van Willem, staan 3 jaartallen genoteerd: 1747, 1746 en 1745.
Deze Leonardus werd gedoopt 20 november 1727.
Leonardus was Rooms Katholiek priester.
Hij studeerde 5 ½ jaar humaniora te Maastricht en daarna dialectica te Gheel (België).
Hij is ingetreden in de Societeit van Jezus te Mechelen in 1749.
Hij was leraar aan het Jezuïetencollege te Maastricht van 1753 tot 1759
Leonardus werd in 1763 tot priester gewijd in Leuven, waar hij ook theologie studeerde.
Leonard overleed 25 december 1802 te Brussel.

Arnoldus Eijssen (de vijfde zoon en geboren in 1717) schrijft zijn naam in de groeve “Ternaaien beneden"
Arnoldus Eijssen den 20 d’aout (?) anno 1740.
Zijn naam komen we meerdere malen tegen in deze groeve.
Ook Arnoldus was landbouwer en grondeigenaar en tevens pachter van de hoeve Printhagen onder Beek.

Lambertus Eijssen de tweede zoon (R.K. priester en gezegend met een rijk grond en onroerend goed bezit uit een nalatenschap van een rijke oom) en Hermannus de vierde zoon ben ik (nog) niet tegengekomen als opschrift.

Tenslotte ben ik nog een Eijssen tegengekomen in de Lacroix groeve te Zichen-Zussen Bolder.

Het gaat om ene Petrus Eijssen gedateerd 1715, en hoewel de schrijfstijl van de naam Eijssen erg veel lijkt op de ons bekende opschriften is deze Petrus een vreemde eend in de bijt.
Opmerkelijk is wel de minder fraaie tekst die deze Eijssen (samen met ene Petrus van Weert in hetzelfde handschrift) toevoegt:

“Poep Mariel dij hoorbel”

Poep Mariel is zoiets als neuk Marietje, en dij hoorbel is die hoerebel of lellebel.
Niet zo netjes die tekst, maar het staat er nu eenmaal zo . . .

De naam Eijssen is dus ruim vertegenwoordigd in de diverse groeven rondom Maastricht, en in dit artikel zijn er slechts een paar behandeld.
De aantekeningen map is in ieder geval weer een aantal blaadjes leger!

Bronnen:
Breur Henket (grafmonumenten van St.Pieter)
Ton Breuls
Diverse artikelen op het WWW zonder naam of bronvermelding


maandag 24 februari 2014

Terug naar vroeger?

Terug naar vroeger?

Deze afbeelding hoort eigenlijk niet thuis op dit blog dat altijd probeert de cultuur en geschiedenis van mergelgroeven in beeld te brengen.

Met de titel van dit (protest) artikel probeer ik dan ook terug te verwijzen naar de tijd dat het gebruikelijk was dat de eigenaren van de groeve (meestal boeren) hun gereedschap zoals tractoren, eggen, ploegen, maar ook afval en landbouwgif “bewaarden” in hun extra bergruimte.
Men hoefde immers geen schuur of ander onderkomen te bouwen als er een mooie ruime ondergrondse locatie (lees groeve) aanwezig was!

Buiten de gereedschappen werden er ook al sinds mensenheugenis aardappelen en bieten opgeslagen en ook werd er voedsel gekweekt:
Denk maar eens aan de bekende grotchampignon, het witlof en het wat minder bekende kardoen.

De kleinschalige boerenbedrijven werden hoe langer hoe minder rendabel, en zo gebeurd het dat de extra bergruimte veranderd in een stort.
Voertuigen en gereedschappen raken verroest en onbruikbaar, het vuil stapelt zich op en wordt aangevuld met allerlei plastic huisraad dat niet vergaat, en landbouwgif lekt uit zijn niet zo veilige verpakking en sijpelt in de ondergrond.

Met de opkomst van de milieubeweging veranderden er gelukkig een groot aantal zaken, ook ten aanzien van de mergelgroeves.
Verenigingen zoals de Van Schaick Stichting, en de studiegroep SOK (Studiegroep Ondergrondse Kalksteengroeven) “adopteren” groeves met het doel deze in goede staat te brengen en te behouden.

De groeve wordt opgeruimd, geïnventariseerd, eventueel opnieuw in kaart gebracht en deugdelijk afgesloten om vandalisme te weren.
In deze staat zijn de groeven ideale plekken om verder onderzoek te doen naar de geschiedenis ervan, maar doet tevens dienst als schuilplaats voor bijvoorbeeld marters, dassen en vossen.
Ook de beschermde vleermuis kan hier ongestoord zijn broodnodige winterslaap doorbrengen.

Anno 2014 lijkt het wel of we weer terug zijn in de tijd van voor de milieubeweging.
Een deel van eeuwen oude groeve (Caestert) wordt “uitgewoond” door honderden feestgangers die een voor hun prachtig muziekfeest meemaken in een machtig mooi decor met veel stroboscoop licht, en daarbij een geweldige hoop rotzooi achterlaten!
 
Jammer dan voor de beschermde vleermuizen die op het moment van de show hun winterslaap houden, en een slag in het gezicht van de berglopers die al jaren proberen de groeve schoon te houden middels opruimacties.

“nou we hebben wèl opgeruimd”, aldus het commentaar op de bovenstaande foto, “maar iemand heeft de zakken naar buiten gegooid”
Nu, dan heb je het niet opgeruimd maar in zakken gedaan lijkt mij.
Opgeruimd is pas als je alles mee naar huis hebt genomen of naar het milieupark hebt gebracht.
Maar ook die actie kan de schade niet goed maken die er is gemaakt met het muziek feest.

Het laat me een denken aan een uitspraak in een artikel over de Scharnderberg (een van de groeves in Heer en Keer).
Op enig moment (1911) verkoopt de gemeente Heer de gronden waaronder deze groeve ligt aan de paters van het Heilig Hart te Leuven en Bergen op Zoom voor de stichting van het voogdijgesticht Sint Jozef.

De Limburger Koerier van 11 november 1911 vermeld de aankoop en beschrijft de groeve als bouwvallig en sedert jaren gesloten.
Heel mooi is de volgende zinsnede:

“. . . ze had geen strekking meer dan tot hol te dienen voor gemengde en zedeloze samenkomsten van het uitvaagsel van Maastricht en omstreken”

Dàt bedoel ik nu met terug naar vroeger.
De troep, de rotzooi het komt weer langzaam terug.
Ik ben geen moralist en realiseer me dat als ik in de groeve Caestert loop dat ook illegaal doe, maar dan wel met heel veel respect voor de omgeving waarin ik me bevind, mijn eigen rommel opruimend en genietend van de grootse stilte.

En dat geldt duidelijk niet voor iedereen.

de foto komt van het internet en is van Wouter.
de zinsnede uit het artikel over de Scharnderberg is uit SOK mededelingen 20:
John Knubben: de grotten van Heer.
 





donderdag 5 december 2013

De muur van Jekerdal


De muur van Jekerdal

Veel Maastrichtenaren hebben hun naam hier vereeuwigd:
De (mergel) muur van het zwembad Jekerdal in het Maastrichtse “Waldeck” park. 
Gebouwd in het jaar 1950 de tijd dat, de overwegend katholieke, bevolking van Maastricht nog gescheiden moest zwemmen!


Het mooie aan deze muur is dat we weten waar de mergelblokken vandaan komen waaruit hij opgebouwd is:
de “Roother” groeve in Cadier en Keer.
Het toeval wilde dat in deze groeve de enorme hoeveelheid van 40.000 (schijnbaar onverkoopbare) blokken opgeslagen lagen in afwachting van een koper. 

Het zwembad “Jekerdal” werd gebouwd onder leiding van Frans Dingemans ( 1905-1961 ).
Dezelfde architect was ook verantwoordelijk voor de noodwoningen in het Trichterveld ( de wijk Mariaberg ) in Maastricht. 
Deze huizen staan bekend onder de naam "de bungalows", en werden gebouwd in de jaren 1944 en 1947
Ook hiervoor gebruikte Dingemans mergel uit de grote voorraad van de Roother. De mergel werd hier toegepast in de funderingen, de kelders en de tussenmuren.
 
Een ander project waar de “onverkoopbare” Roother blokken voor gebruikt werden was het bouwen van een gigantisch decor bij de viering van het Maria congres in 1947.
 
Naar een ontwerp van architect Boosten werden op het Vrijthof te Maastricht maar liefst 27.000 blokken mergel gebruikt om een imposant stuk stadsmuur na te bouwen.
 
50 meter breed, 10 meter diep en 10 meter hoog compleet met echte kantelen, grote poorten en zware torens!
Dit alles met de gratis diensten van De Bond van R.K.Aannemers die dus belangeloos een groot aantal mensen zoals timmerlieden en metselaars inzette voor dit karwei.
 
De ware reden voor de moeilijk te verkopen mergelblokken uit de Roother groeve is toch de kwaliteit van de steen.
Voor funderingen en binnenwerk kan de kwaliteit goed dienen, maar voor buitenwerk is het te slecht.


 


Ondanks dat feit staat de muur rond het zwembad Jekerdal er nog altijd, voorzien van honderden namen van mensen die er ongetwijfeld een prachtige tijd hebben doorgemaakt.

Bron:
Steunpilaar nummer 7: de Roothergroeve

vrijdag 7 september 2012

De eerste keer . . .



De eerste keer . . .

‘Opa, goon veer noe de gròtte in?’

Dat zal ik zo snel niet meer vergeten: je kleinzoon die na lang twijfelen het toch aandurft om met zijn Opa het ondergrondse te betreden!

Er is heel wat tijd overheen gegaan, maar uiteindelijk heeft Puk zich toch aan zijn belofte gehouden om met opa de berg te gaan verkennen.
Op een van onze vele wandelingen in het bos van Caestert liet hij zich op 5 jarige leeftijd ontvallen: ‘als ik 6 ben ga ik met jou de grotten in’, dan ben ik groot genoeg en niet meer bang.

Het idee om eens samen de groeve te gaan verkennen was al vaker het onderwerp van de gesprekjes geweest die een berglopende opa voert als hij met zijn kleinkind op “avonturenwandeltocht” is.
Avonturenwandeltocht is zo’n wandeling die niet over bestaande paadjes gaat, maar meer door het struikgewas gaat en vol met klauteren, klimmen en afdalen zit, iets waar de helling van de Sint Pietersberg zich uitstekend voor leent.

Uiteindelijk werd 6 toch weer 7 jaar, en prompt de dag na zijn zevende verjaardag kwam dan toch die vraag: zullen we straks eens naar de grotten gaan?
Hé Puk weet je dat zeker?
Een paar weken eerder was hij bij een wandeling over de “Thier de Lanaye” met zijn vele kleine ontginningen nog buiten blijven staan bij een grotje van nauwelijks 10 meter diep.
Ja ja, ik heb gezegd als ik 7 ben ga ik met Opa de grotten in en nu ben ik zeven.

Oké, antwoord Opa zo “cool” mogelijk om zijn enthousiasme een beetje te onderdrukken want hier heeft hij lang op moeten wachten, en voor dat je het weet veranderd het kleine menneke weer van gedachten want zo zijn kinderen nu eenmaal,weet je het echt zeker?

En zo gaan we op pad. Vooral met voldoende licht!
Opa met de Coleman en Puk met de Maglite: dat vind hij wel ruig zo’n grote echte zaklamp.

Aangekomen bij de ingang van Caestert besluit ik om de lamp maar buiten aan te steken, dan hoeft de kleine man immers de grote grot niet helemaal in het duister te betreden!

De eerste meters gaan wel aan de hand van Opa! Twijfel is er gelukkig niet, en al snel voel ik aan dat Puk weliswaar niet helemaal op zijn gemak is, maar ook zeker niet angstig. Dat is geruststellend.

Ik besluit voor een simpel, niet te moeilijke korte wandeling. Voor de kenners: het kapellengedeelte, direct na de ingang bij het meetpunt links.
Ik weet dat Puk silex wel sjiek vind en dat ligt daar met grote hopen . . .

Het blijkt een goeie gedachte want de grote hoge gangen boeien hem niet zo maar de stapels silex maken grote indruk, en enthousiast begint de kleine man dan ook gelijk te stapelen en verplaatsen.
Nou, hier wil ik nog wel even blijven spelen oppert hij nadat ik zelf al een aantal keren heb voorgesteld om nog een stukje verder te lopen.
Vervolgens realiseer ik me ook dat de interesse van een zevenjarige in een mergelgroeve kilometers af staat van een volwassene die in dezelfde groeve alleen maar denkt aan de historische en culturele waarde van de plek. Ik ga er maar even bij zitten en laat hem lekker stenen sjouwen:
‘kiek Opa dàt is sjiek hè’. . . . ‘Jao jong dàt is sjiek’ zeg ik dan maar tevreden.

‘Wienie goon veer weer ins Opa’ vraagt Puk als we een klein uurtje later weer bij de uitgang staan. Als je het leuk vind doen we het snel nog een keer is mijn antwoord, en vervolgens geeft hij te kennen bij de uitgang ook nog wel even te willen blijven spelen: er liggen daar behoorlijk wat stenen om te versjouwen . . .

Meer blogartikelen in PDF versie vind je hier



maandag 13 augustus 2012

Slim






Slim

Bovenstaande afbeeldingen laat ons een “kolom” zien.
Kolommen zijn normaliter de wanden van een groeve waar je langs loopt, en vaak zijn die kolommen zo groot ( 4x4 of zelfs 8x4 of 8x8 meter) dat je het niet eens in de gaten hebt dat het pilaren zijn.

In de ondergrondse (mergel)winning moet je een grote hoeveelheid materiaal laten staan om de stabiliteit te garanderen.
Gangbreedtes en kolomafmetingen waren heel vaak voorgeschreven, maar natuurlijk niet voor alle groeves. In de zogenaamde “boerenbergjes”
werd er vaak gewerkt naargelang de situatie, en dan kom je wel eens een klein pilaartje tegen!

Dat kan verschillende redenen hebben:
Roofbouw, dan zijn er gewoon voor het gemak nog een aantal blokken weggezaagd van de kolom wat overigens een gevaarlijke bezigheid is
( het hele dak van de groeve rust immers op de kolommen)

Of: de techniek waarmee de bergwerkers het gevaar van een leeglopende aangesneden aardpijp hebben bestreden: het laten staan van een kolom waarin de aardpijp zich bevind.

Hoewel het hier een bekende werkwijze betreft kom je het niet zo vaak tegen in de ons bekende groeves.
In een enkele groeve is het echter een aantal keer te zien en dat wil ik de lezer niet onthouden.
Op de bovenste foto de gehele kolom, op de tweede afbeelding de bovenkant met duidelijk de aardpijp.

Er bestaan natuurlijk veel kolommen met aardpijpen erin maar die zijn nooit aangesneden bij de ontginning.
De doorgaans ervaren blokbrekers hoorden bij het hakken en zagen al of er een onregelmatigheid zoals een aardpijp aanwezig was en konden dus op voorhand al beredeneren hoe ze deze storing konden omzeilen.
Evengoed is dit ook vaker misgelopen en stroomde er tonnen materiaal zoals zand, klei, en stenen de gangen in, wat op menige plaats nog te zien is.

Bij een kleine storing liet men ook vaker alleen een blok aan het plafond zitten waarin de aardpijp dan bleef opgesloten, en dat resulteerde wel eens in een zogenaamde “drup”.
Regen of grondwater in de aardpijp sijpelde dan langzaam in het blok en eenmaal verzadigd begon dit te lekken met een gestaag vallende drup.

Een heel bekend voorbeeld is de negendrup in het gangenstelsel Slavante
Vanuit het blok aan het plafond viel welgeteld iedere negen seconden een druppel helder water, en dus was deze negendrup al honderden jaren geleden een heuse attractie in de Maastrichtse grotten!

De nostalgische zwart-wit foto toont ons de beroemde negendrup


vrijdag 27 juli 2012

(Tijd) Muur


(Tijd) Muur

Een beetje rare titel geef ik toe, maar zo zie ik dit simpele muurtje.

Mogelijk is het is opgetrokken door blokbrekers, het kan ook een champignonkweker geweest zijn, voor de veiligheid.
Een aangesneden aardpijp was de reden. Het is een simpele doch doeltreffende manier om te voorkomen dat zo’n aardpijp leegstroomt en dus voor veel ongemak en natuurlijk ook wel gevaar zorgt.

Zo een mooi muurtje geeft direct weer de gelegenheid om het vol te schrijven, dàt, zo weten we inmiddels heel goed, is immers van alle tijden!
Is dit muurtje dan zo apart? Nou, niet helemaal en misschien niet voor iedereen maar het valt wel op dat het helemaal vol staat! Van beneden naar boven en van links naar rechts . . .

Het zijn niet eens oude opschriften, en dat zou wel eens kunnen komen doordat dit stukje groeve in Ternaaien-boven een doodlopend stukje is, en ook nog eens vlak bij de ingang.

Bij nadere bestudering komen we wat namen tegen van mede-berglopers, gedateerd begin jaren zeventig. In die tijd werden deze stelsels zo’n beetje herondekt door de nu grijzende generatie berglopers waarvan je bijna zeker weet dat ze op deze plek niet snel zullen terugkeren omdat ze weten dat het doodloopt hier.

Des te leuker is het dus om het weer eens te zien na al die jaren, en even te mijmeren over de namen die er staan: och die ja, pfff die heb ik al lang niet meer gezien, en ooh die daar, zou die nog in de berg lopen? . . . .

dinsdag 5 juni 2012

Blokbreken




Vreemd dat het in dit blog nog niet helemaal behandeld is: het blokbreken

Het is natuurlijk wel vaker benoemd in enkele van de vorige artikelen, maar nog niet uitgelegd.
Het is ook wel wat moeilijk om het stap voor stap begrijpelijk uit te leggen, zeker voor niet berglopers, en vele medeonderzoekers hebben het ook al eerder gedaan.

Een goede reden om dus niet in herhalingen te vallen is te verwijzen naar deze link op de site van Troglocaris die dat prima weet uit te leggen.

Voor een beetje inzicht over het breken het volgende:
Het eerste blok werd met stootbeitel van het plafond losgemaakt.
Daarna werd de zijwand met een zaag losgezaagd
Als het blok rondom is losgezaagd, zit het alleen nog aan de achterzijde vast. Met behulp van keggen wordt het blok van de achterwand losgebroken.
Nadat het eerste blok naar voren is gekanteld, ontstaat een soort nis: 't schap. Deze ruimte kon de blokbreker benutten om de achterzijde van het volgende blok los te zagen.

 

Wat valt er verder dan nog te melden over dit blokbreken vraagt de lezer zich dan ongetwijfeld af.
Welnu, er zijn de verschillende methoden die gehanteerd worden, die op hun beurt weer van maat verschillen. Men spreekt over de “Sibber”wijze en de “Canner” wijze, maar ook over de “Pietersblokken”.
Iedere streek heeft wel zijn eigen manier, al komen die wel in grote trekken overeen, vooral als het gaat over de manier van winning.

Bij de Sibber wijze, de meest toegepaste, die het voorbeeld weer geeft zien we de “groete sjtool” van vaak 1.75 mtr. hoog en ongeveer 60 cm. breed en diep waarvan men later de blokken zaagt in de maat die nodig is.
Bij de Canner wijze werd vaak gelijk een kleine maat blok in het werkfront gezaagd wat heel duidelijk aan de zaagsporen aan de wand nu nog zichtbaar is.
De “Cannerblok” werd natuurlijk ook als maat gehanteerd als hij op een andere wijze gebroken was!

Een mooi voorbeeld is een deel van de productie uit de Roother groeve:
Gebroken op de Sibber wijze met stoelen (blokken) tot wel 5 meter hoog, ongeveer 53 centimeter breed en 80 centimeter diep die ter plekke verzaagd werden tot Cannerblokken van 20 x 24 x 40 centimeter, waarvan 24 altijd de hoogte is. Dit laatste is belangrijk in verband met de verwerking omdat mergel een sedimentgesteente is (laagjes) en uiteindelijk weer in de zelfde richting verwerkt moet worden als het gewonnen is. De metselaar wist dus dat die 24 centimeter altijd de hoogte was van de steen.

Om aan te geven hoe zwaar het blokbrekersvak wel was:
Uit een hierboven beschreven stoel uit de Roother groeve zaagde men ongeveer 100 Cannerblokken die in de groeve, in verband met de hoge relatieve vochtigheid, wel zo’n 30 kilo per stuk wogen!
Een ploeg bestond uit 2 mannen, een blokbreker en een zager, die 1 stoel per dag braken en verwerkten. Het werkfront vorderde dus ongeveer 80 centimeter (de diepte van de stoel) per week.

Bekend is dat er in de late middeleeuwen zo rond 1500 hele gangenstelsels zijn ontstaan door bijna “industrieel” blokbreken.
Tientallen ploegen werkten er aan verschillende fronten tegelijk in een gestaag tempo en zo ontstond er in een relatief korte tijd een doolhof aan gangen.

Als voorbeelden dienen hierbij de verschillende groeves in de Sint Pietersberg. Het centrale gedeelte van Caestert (een van de meest zuidelijke groeves in de Pietersberg) en, wat dichter bij huis, de Zonneberg.
In de laatst genoemde is vooral het gedeelte wat men nu de “Bloemenweg” noemt een grote, maar vooral snel tot stand gekomen ontginning lopend van Zuid naar Noord.
Letterlijk dus want de graafrichting is vanuit Slavante naar het Noordelijk gangenstelsel waar het dan uiteindelijk ook op aangesloten is.
Daar zijn dan ook grote “stoelen” gebroken, en in een snel tempo letterlijk honderden meters gemaakt.
Dat is ook het verschil met “Noord”: een minder uitgestrekt stelsel met lagere gangen waar ook duidelijk langer over gedaan is vooraleer het uitgeput was aan goede mergel.
Meer een soort van “Boerenbergske” waar men vooral in de wintermaanden actief was, en later zelfs alleen voor eigen gebruik van de plaatselijke bewoners: de Sint Pieternaren.

Blokbreken wàs en is nog een vak!
Meestal was er sprake van echte blokbreker-familie’s.
Het vak ging dan als bijna vanzelfsprekend van vader op zoon. De kinderen gingen, zodra ze in staat waren om het zware lichamelijke werk te verrichten, mee de groeve in, alwaar ze dus al jong het vak leerden.

Veel voorkomende namen van generaties blokbrekers zijn: Koolen en Gilson uit Canne, Montulet van Sint Pieter.
Eberhard en Penninger waren blokbrekers die ook nog als gids heel bekend waren.

Tegenwoordig wordt er alleen in de Sibbergroeve nog mergel gewonnen voor de bouw, hoofdzakelijk voor restauratiewerk zie dit blogartikel

Meer blogartikelen in PDF versie vind je hier