maandag 12 december 2011

Een perfect rondje


Een perfect rondje

De titel heeft op het eerste gezicht maar weinig te maken met de bovenstaande afbeelding, maar ik probeer het uit te leggen . . .

Het is de avond dat we weer eens besluiten de fotocamera en het statief mee te zeulen, of beter gezegd: Rob’s camera met statief.

We zijn vanavond met z’n tweeën: Susanne, onze bergmaat, is verhinderd wegens ouderlijke verplichtingen en daarom hebben we besloten er een fotosessie van te maken. Dat doen we vaker als we met z’n tweeën zijn. Ik kan me goed voorstellen dat het maken van landschapsfoto’s ondergronds niet voor iedereen even spannend is omdat het werkelijke lopen en ontdekken van de “berg” natuurlijk niet echt opschiet als je om de paar meter stilstaat om je ideale “hier neem ik de foto plek” te bekijken en in te schatten.

Toch is dit ook een geweldige manier om de berg te ontdekken: je kijkt, of beter, bekijkt de situatie vanuit een ander perspectief. Er vallen dingen meer op als je “anders” kijkt.
Enfin, tot zover de inleiding.

We beklimmen het pad omhoog naar Ternaaien-Boven, zo hebben we beneden al besloten, omdat Rob daar een aantal foto’s wil overnemen.
Bij vorige sessies zijn daar al opnames gemaakt, maar veranderende inzichten in bijvoorbeeld de belichting nopen tot nieuwe opnames.
De vast te leggen plaatsen zijn ook al min of meer bekend, en mogelijk komen we ook nog wat nieuwe plekjes tegen.

Er is meer belangstelling voor de groeven vanavond, maar tot onze opluchting kiest men voor Caestert, Ternaaien-Beneden of de Vallei.
Je loopt namelijk het risico dat je midden onder de opname een hoeveelheid “vreemd” licht in beeld krijgt waardoor je natuurlijk helemaal opnieuw kunt beginnen.

Na een paar minuten is de eerste plek al bereikt en kan het statief opengeklapt en opgezet worden! Gelijk al een ingewikkelde omdat de plek van de camera 3 meter hoger is dan het pad wat Rob gaat belichten. Maar ja, de avond is nog jong en het omlopen is niet zo ver . . .

Oké, alles staat stand-by, de camera is scherpgesteld op de juiste instellingen, de situatie en belichtingstijd beredeneerd in onderling overleg, dus daar gaan we dan voor nummer 1.
Rob klautert naar beneden waar de lamp staat, pompt er nog wat extra druk op, en begint zijn ongeveer 30 meter lange tocht met hindernissen.
Zelf sta ik achter de camera, de belichtingsseconden in mijn eigen op te dreunen en houd op het juiste moment mijn onafscheidelijke zwarte vilthoed voor de geopende lensopening. Na ieder belichtingsmoment moet ik wat harder naar Rob roepen dat hij weer door het beeld mag lopen en na zo’n pakweg 8 belichtingen sluit ik met behulp van de zelfontspanner de lens.
Dat ziet er goed uit voor de eerste mompel ik hardop. Enne? Roept Rob
Nou roep ik terug volgens mij is ie wel goed, al wetende dat Rob een stuk kritischer is. Mmm een beetje aan de donkere kant mompelt hij, turende naar het schermpje, maar we laten het zo ik kan het altijd thuis een beetje bijsturen. Nummer 1 van de avond staat erop in nog geen 10 minuten!

Een aantal gangen verder krijgen we bezoek, niet storend want we hebben net nummer 2 al achter de rug. We raken in gesprek met twee mannen die we al eens vaker ontmoet hebben. We hebben zelfs met een van hen al eens een avond gelopen. Ze zijn duidelijk “zoekende” in deze groeve. Na wat van gedachten gewisseld te hebben over de diverse gangenstelsels nemen we afscheid met: “we zien elkaar vanavond nog wel”. Klaarblijkelijk hebben ze ook nog interesse in de (nieuwe) doorbraak naar Ternaaien-Midden die hier in de groeve aanwezig is, een plek waar wij later op de avond nog heen willen.

Zes opnames verder treffen we inderdaad de beide mannen weer.
Bij de doorbraak , een onmogelijk klein, eng kruipgangetje van enkele meters lang ( ik heb het hier beschreven). Ze willen er doorheen, maar lijden alle twee aan iets wat klinkt als engtevrees. Dat en het onbekende aan de andere zijde van de enge kruipgang weerhoud de beide mannen van hun liefste wens:
Minstens voor 1 keer Ternaaien-Midden te aanschouwen!

Als wij toezeggen aan deze zijde van de kruipgang te pauzeren en op hun spullen te letten trekken ze toch de stoute schoenen aan en verdwijnen door het enge duistere gat naar het voor hun onbekende. We hebben toegezegd minstens een uur hier te bivakkeren zodat ze in staat zijn om op het gemak rond te kijken in de herontdekte gangen van Ternaaien-Midden ook wel de Duvelenberg genoemd.

Net als Rob na drie kwartier zijn bergjack uittrekt om naar de beiden op zoek te gaan zien we een lichtschijnsel in de tunnel, de verloren zonen zijn terug en een mooie ervaring rijker. Zo hoort berglopen te gaan!

Wij zijn nog een uurtje verder gegaan met onze fotosessie, en na een eerder gedane opmerking dat we vandaag wel een heel lage productie hadden door de ontmoeting met onze 2 helden (zeker positief bedoeld) kan dat aan het eind van de avond bijgesteld worden naar:
Een mooie productieve avond met maar liefst 16 nieuwe opnames waaronder de bovenstaande.
Dus: een perfect rondje . . .

zondag 27 november 2011

Kalkbranden


Kalkbranden

Het kalkbranden is natuurlijk nauw verbonden met de mergelwinning.
Op de afbeelding uit ongeveer 1925 zie je een kalkoven, een installatie die gebruikt werd om kalk te branden uit de losse mergel.

Die mergel was er genoeg voorhanden: de plek waar deze opname is gemaakt is de oosthelling van de Sint Pietersberg op de plek waar nu de ENCI cementfabriek is gevestigd. Linksboven op de foto is de ruïne Lichtenberg te herkennen.

Kalkbranden is het op één na oudste ambacht ter wereld. De oudste bewijzen daarvoor zijn 14.000 jaar oud, de Romeinen brandden al kalk op bijna industrieel niveau.
Kalk is een product voor de fabricage van mortels in de bouw, maar ook te gebruiken als meststof voor de landbouw.

In Nederland zijn de schelpkalkovens het meest bekend. Het is een oven in een kegelvormige toren, met een hoogte variërend van 15 tot 20 meter en een doorsnede aan de basis van meestal 5 tot 7 meter. Schelpkalkovens werden gebruikt voor de fabricage van metselkalk uit strandschelpen (in Nederland schelpkalk genoemd). Schelpkalkovens zijn doorgaans te vinden aan het water en staan vaak in groepjes.

Het branden van schelpkalk werkt als volgt:
Om en om wordt er kolengruis en schelpen bovenin de kalkovens gestort.
Na ongeveer 24 uur branden worden via de gaten aan de onderzijde van de oven de schelpen er uit gehaald en naar het blushuis gebracht. Hier worden de schelpen met water geblust. Over een kruiwagen schelpen worden 2 emmers water gestort. Daarna worden de schelpen omgespit en een extra emmer water toegevoegd. Hierdoor ontstaat een chemische reactie die voor een flinke rookontwikkeling zorgt.

Door de gaten in het dak van het leshuis kan de rook wegtrekken. De schelpen vallen dan uiteen tot fijn poederkalk.
De kalk wordt dan gezeefd en eventueel verpakt. De schelpkalk vindt vooral toepassing in metselspecie.

De vier ovens brandden overigens continu. Op zondag worden er geen schelpen gebrand maar met turf worden de ovens brandend gehouden.

Bij ons in Limburg werd de steenkalkoven gebruikt en dat werkte als volgt:

Eerst werd er een gat van circa drie meter in doorsnede en zeven meter diep gegraven.
De binnenkant van de schacht werd met vuurvaste steen bekleed. Voor het opmetselen van deze stenen werd geen cement, maar leem gebruikt.
Onderin de oven werd een zwaar rooster geplaatst. Dit bestond uit zware ijzeren staven die los van elkaar lagen en door twee ijzeren balken gedragen werden. Onder het rooster lag de werkruimte waar de gebrande kalk gestort, ingeladen en afgevoerd werd. Als de oven gestookt werd, werd eerst een dikke laag takkenbossen op het rooster gelegd. Daarop kwam een partij droog rondhout.

De totale laag brandhout had een dikte van twee tot drie meter. Bovenop het hout kwam een laag van dertig tot vijftig centimeter dikke laag kalksteen. Erbovenop kwam een dunne laag brandstof, zoals kolengruis, cokes of kolenslik. Daarop kwam dan weer een laag mergel, dan weer een laag brandstof enzovoort.

Bij het ontsteken van de oven sloegen de vlammen vanzelf van de ene naar de andere laag over. Hierbij ontstonden temperaturen van meer dan 350 graden Celsius bovenin de oven tot meer dan 1000 graden Celsius onderin. Hierdoor ontsnapten zuurstof, vocht en koolzuur uit de kalksteen. Onderaan de oven kon na afloop van het brandproces de ongebluste kalk worden opgevangen. Deze werd dan eerst uit de oven gehaald, vervolgens gezeefd en tenslotte geblust.

Vooral iets ten noorden van Maastricht waren kalkovens te vinden. Hier werd vooral de Kunrader steen gebrand. De kalkbranderij bereikte een hoogtepunt omstreeks de Eerste Wereldoorlog. Tussen Ubachsberg, Benzenrade en Kunrade waren destijds maar liefst 44 kalkovens in bedrijf. De Putberg bij Benzenrade was hiervan het middelpunt.

Tussen 1917 en 1919 waren in de 44 kalkovens in deze streek maar liefst 700 mensen aan het werk. Tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog was import van kalk uit het buitenland namelijk onmogelijk en moest men overschakelen op eigen productie.

Na de oorlog daalde het aantal kalkovens drastisch. De concurrentie van het buitenland werd te groot en uiteindelijk werden ze overbodig door de opkomst van de moderne cement- en meststoffenindustrie. Een korte opleving vond rond de Tweede Wereldoorlog plaats. In 1967 werd de laatste kalkoven buiten bedrijf gesteld.

zondag 13 november 2011

Kwaliteit . . .



Kwaliteit . . .

Wij chauvinistische Maastrichtenaren denken natuurlijk altijd dat de mergel uit de Sint Pietersberg de mooiste, beste en sterkste is!

Nou helaas: mooi niet, ik bedoel wel een mooie kleur, maar de kwaliteit valt een beetje tegen.

Dat heeft natuurlijk alles te maken met de samenstelling van de steen, en het vele zand in de Sint Pieterse kalksteen zorgt er dus voor dat de Pietersblokken minder stevig en weersbestendig zijn dan bijvoorbeeld de Sibber of de Sichersteen, in het bijzonder dan voor bouwwerkzaamheden buiten.

Even voor de duidelijkheid: wat wij Limburgers mergel noemen (van het Romeinse Marga) is de bovenste korrelige laag van de kalk die afgezet is in het Limburgse heuvelland tijdens de “Krijt” periode (145 tot 66 miljoen jaar geleden), toen dit deel van Nederland onder de zeespiegel lag.
Het zo ontstane gesteente bestaat uit een mengsel van klei en resten van organismen met een kalkschaal dan wel een kalkskelet.

Waarom zijn de groeves in de Sint Pietersberg dan zo uitgestrekt geworden is dan de vraag.

Bovenstaande foto geeft daar al gedeeltelijk een antwoord op. Fundamenten, kelders, waterputten en de kilometers lange vestingwerkmuren in Maastricht herbergen letterlijk tonnen en tonnen mergelblokken uit onder andere de Sint Pietersberg.
De vraag naar mergelsteen, ook van een mindere kwaliteit, was dus een lange tijd volop aanwezig.

De groeve lag dicht bij de stad en er waren altijd wel reparaties en herstelwerkzaamheden aan de vele fortificaties die Maastricht rijk was.
Na ieder beleg, en dat zijn er in de loop van de honderden jaren heel wat geweest, moest er natuurlijk weer opgelapt of uitgebreid worden.

Op de afbeelding zien we een deel van een fundering, en gezien de locatie
Hertogsingel Maastricht, ongetwijfeld afkomstig van een van de verdedigingswerken die daar voor de ontmanteling van de vesting Maastricht gelegen waren.

Het kan ook een deel zijn van de zogenaamde “kazematten”, een uitgebreid netwerk van gangen gebouwd tussen 1575 en 1825, samen een kleine 14 kilometer lang, die de verschillende bastions in de verdedigingswerken met elkaar verbonden.

In deze kazematten, in Maastrichts dialect de “katsj” genoemd werden buiten de baksteen ook heel veel mergelblokken verwerkt. Daar was de Sint Pietersteen dus uitstekend geschikt voor.

Op de tweede afbeelding is dus heel duidelijk het gebruik van de mergelblokken te zien: de opgaande muren uitgevoerd in mergelblokken en de gewelven in baksteen. Het is misschien wel eens aardig om een schatting te maken, of te berekenen, hoeveel kubieke meters en/of blokken in deze kazematten zijn gebruikt, dat moeten er heel wat zijn geweest!

Dat dit alles voor een groot gedeelte nog bestaat en zelfs toegankelijk is danken we aan pure zuinigheid!
Toen het rijk in 1867 de vesting Maastricht ophief en er een begin werd gemaakt met het slopen van de verdedigingswerken, was het gewoonweg te kostbaar om ook de ondergrondse werken te slopen.

In de tweede wereldoorlog van 1940-45 zijn een deel van de kazematten nog ingericht én gebruikt als schuilkelder, en in de zogenaamde koude oorlog, de periode tussen 1950 en 1990, is er een beperkt gedeelte ingericht als atoombunker.

zondag 30 oktober 2011

Het Grand Hotel



Het Grand Hotel

“Junkske, este ut hei neet good vinds daan vertrèkste mèr naor de Lévrier oppe Boschstraot”

Dat zei mijn vader zaliger altijd tegen mij als ik, vroeger als kind zijnde, thuis aanmerkingen op het eten had. Mijn vader was er een van de oude stempel, geboren in 1909 en als negende van in totaal elf kinderen zal hij ongetwijfeld ook wel eens die uitspraak gehoord hebben van zijn vader dus.

Aan bovenstaande moest ik denken toen ik laatst weer eens het opschrift passeerde van Grand Hotel Du Lévrier et de L’aigle Noir aan de Boschstraat 76 te Maastricht.

Het opschrift bevind zich bij de ingangspartij van de Zonneberg, en wel zo dat het goed opvalt als je weer terug naar buiten gaat. Gedenk den gids staat er ook heel subtiel boven geschreven, iets waarvan ik denk dat het er al stond vóór dat de reclametekst van de Lévrier aangebracht werd.

Een reclametekst is het, niet meer en niet minder een wervingstekst voor een hotel in de stad. Een gerenommeerd hotel, dat wel.

Als rond 1900 het toerisme in Maastricht al een redelijk niveau heeft spelen de “grotten” van de Sint Pietersberg daar natuurlijk een grote rol in, het is immers een attractie van formaat. Geheimzinnige duistere galerijen met daarin opschriften van beroemde bezoekers vaak al honderden jaren oud, en op de route mooie grote tekeningen en andere voorstellingen van prehistorische dieren die, volgens de gids, hier duizenden jaren geleden rondgelopen hebben . . . .

De tekeningen zijn, vaak in opdracht van de toenmalige eigenaren van de groeve, vervaardigd door een aantal bekende Maastrichtse kunstenaars zoals Simays, van der Veur en Sondeijker met de bedoeling de “grotten” zoals ze steevast voor en door de toeristen genoemd worden te verfraaien. Commercieel aantrekkelijker maken dus.

Zo worden er ook reclame opschriften op de route geplaatst. Hele bekende voorbeelden zijn de (veelkleurige) tekeningen van de “van Houten” van de chocolade, en de “Alpha” van de margarine, en de grote tekst van “Bols”, tot op de dag van vandaag een begrip in de jenever!
De van Houten is gekopieerd van een bekend affiche en dus heel herkenbaar voor de grote massa bezoekers.

Maar ook de lokale middenstand is wel geïnteresseerd in een reclameboodschap, en zo ontstaan een aantal geschreven teksten voor hotels en restaurants waaronder hotel Claessens en de bovenstaande Du Lévrier en de L’aigle Noir. Uiteindelijk moesten de bezoekers ook een hapje kunnen eten en een bed hebben om te slapen.


Evenals het eerder genoemde hotel Claessens is Du Lévrier geen hotel meer. Het was voor 1876 bekend onder de naam Lévrier (de (haze)wind hond) en vanaf 1876 tot begin 20ste eeuw onder de naam “Grand Hotel Du Lévrier et de L’aigle Noir”.
L’aigle Noir staat voor “zwarte adelaar”

Tot wanneer het hotel-restaurant bestaan heeft weet ik niet precies maar in 1950 werd het pand aan de Boschstraat in gebruik genomen door de Hogere Hotelschool Maastricht als opleidingslocatie.

In 1976 is het hele pand gerestaureerd en verbouwd en nam de industriebank LIOF zijn intrek in het pand waarvan de naam nu luid :

"Grande Maison du Levrier & de L'aigle Noir”.

Het opschrift in de Zonneberg is behoorlijk beschadigd en in dit geval is het wederom pure baldadigheid wat ten grondslag ligt aan het verval van dit opschrift. Misschien is er ooit wel een mogelijkheid om het te restaureren zonder het echt te “vernieuwen”.
Eerlijk gezegd zijn er letterlijk tientallen gelijkwaardige opschriften in de Zonneberg in een staat die een beter lot verdienen, dus voorlopig moeten we het er maar mee doen!

zondag 16 oktober 2011

Alexander Simays 1866-1944


Alexander Simays 1861

In het gangenstelsel Zonneberg komen we met enige regelmaat grote
“klassieke” tekeningen tegen, en vele daarvan zijn gesigneerd met Alex Simays. Wie was deze Simays?

Alexander Simays werd geboren op 5 februari 1866 in Maastricht. Hij was de zoon van Peter Simays die het beroep van boekdrukker uitoefende.
De moeder van Alexander was Sandrien Heynen, en haar beroep was het kleuren of verven van stoffen.

Alexander groeide op in wat nu het Jekerkwartier wordt genoemd: de Sint Pietersstraat (geboortehuis), Tafelstraat en vervolgens weer de Sint Pietersstraat. Hij volgt zijn onderwijs bij de broeders op de Capucijnenstraat, en op zijn twaalfde jaar gaat hij van school om een beroep te leren, iets wat heel gebruikelijk is in die tijd.

Hij volgt zijn vader en gaat als leerling letterzetter in dienst bij Leiter-Nypels, een gerenommeerde drukker in Maastricht.
Alexander heeft talent voor tekenen, en al voor hij als leerling letterzetter gaat werken volgt Alexander twee avonden per week (teken) lessen aan de Burgeravondschool, dat de basis zal zijn voor zijn carrière als lithograaf (steendrukker).

Alexander zal zijn hele arbeidzame leven doorbrengen bij Leiter-Nypels.
Op 20 april 1892 trouwt Alexander Simays met Maria Roecx en zij krijgen twee dochters: May en (tien jaar later) Sandrien.

Na enkele adressen in (opnieuw) het Jekerkwartier verhuizen ze naar het Vrijthof, waar zij hun intrek nemen in een woning boven de drukkerij.
Tien jaar later, in 1905, betrekken zij dan een woning aan de Jekerstraat in het, toen nog zelfstandige, dorp Sint Pieter waar zij veertig jaar lang zullen wonen.

Naast zijn werk als typograaf is Alex (zo signeert hij zijn werk) dus een verdienstelijk tekenaar èn fotograaf, die erg veel van zijn vrije tijd stak in het vastleggen van het stadsbeeld in Maastricht, iets waarvoor vele Maastrichtenaren hem eeuwig dankbaar zijn.

Mijn persoonlijke kennis van zijn werk zijn dan ook de vele grote tekeningen die hij samen met de fotograaf H. van der Veur maakte in de gangen van het stelsel “Zonneberg” te Sint Pieter.
Deze muurschilderingen waren bedoeld om het Zonneberg-stelsel even beroemd te maken als het bekende Slavante, dat beschikte namelijk over een heus onderaards museum!

In de oorlogswinter van 1942-1943 krijgt Simays een ongeluk in huis:
Hij loopt ernstige brandwonden aan zijn onderbeen op en wordt om te genezen opgenomen in het ziekenhuis “Klevarie” (Calvariënberg).

Eenmaal weer thuis blijkt hij bedlegerig en hulpbehoevend. In 1943 wordt hij opgenomen in het verpleeghuis van Klevarie waar hij wel opknapt maar zijn draai niet meer kan vinden. Twaalf maanden later, 15 februari 1944 sterft Alexander Simays 78 jaar oud. Hij is begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Tongerseweg in Maastricht.

In juni 2000 verscheen er van de hand van drs Ingrid M.H. Evers een schitterend boek over het leven en vooral het werk van Alexander Simays.
Een boek vol foto’s met (helaas) al vele verdwenen plekjes in ons mooie
Maastricht.

Bronnen:
Ingrid Evers: Maastrichtse Monumentenzorg in Zwart-Wit.
John Caris: Website Troglocaris.
De foto is van mijn bergmaat Rob Heckers.

zondag 9 oktober 2011

Niet met opzet . . .


Niet met opzet . . .
Ik ga er maar vanuit dat de schrijver en/of tekenaar zich hier onbedoeld vergist heeft!

MCCCLXXIX in Romeinse cijfers is, in onze leestaal : 1379.
Nou, daar geloven we dus niet in. Ik denk dat de maker van dit opschrift de letter D vergeten heeft.
Als die achter de M geplaatst wordt krijgen we MDCCCLXXIX, en dat en dat is meer in de stijl van de tekening namelijk 1879.

Dat onze schrijver de klok heeft horen luiden, maar niet weet waar de klepel hangt, blijkt ook nog uit het feit dat de letters C verkeerd om geschreven zijn!
Jammer dat het eigenlijke opschrift uitgeveegd is want de tekening is voor de rest helemaal gaaf.

Dat 1879 wel eens het goede jaartal zou kunnen zijn maken we op uit de stijl van de tekening: de Biedermeier tijd. Het woord Biedermeier komt uit de kunstgeschiedenis. Het is een kunststroming uit de periode omstreeks 1815-1850.
Biedermeier is afgeleid van Biederman en Bummelmayer, twee bekende familiefiguren uit het begin van de 19e eeuw.

De kunststroming ontstond als reactie op de tijd van Napoleon.(1815-1848).
Dat was een periode waarin alles draaide om het gewone. Dit gewone was men zat.
Men had behoefte aan sierlijke dingen en ging vooral kunstzinnige meubels en kleding ontwerpen.
Let wel: het werd een stijl voor de rijken. Waarschijnlijk is deze stijl ontstaan in Duitsland of Oostenrijk.

Enkele kenmerken voor deze stijl zijn: in de mode voor de dames de zeer smalle, zogenaamde wespentaille met daarbij de hoepelrok en witte kousen.
De heren dragen dan lange pantalons, een frak (jas zonder voorpand) stropdas en hoge hoed. We spreken hier dus wel over de welgestelde en niet over de gewone man de zijn brood verdient in de mergelgroeve!

Wat er van de Biedermeier tijd overgebleven is, is natuurlijk hoofdzakelijk antiek meubilair en kunst. Wat er vandaag nog toegepast wordt is een vorm van bloemschikken: het zogenaamde Biedermeier boeket.

Wat bij ons nu resteert, is de vraag: wat stond er nu geschreven, en waarom is het uitgeveegd? Ik ben bang dat dit onderwerp blijft waar het vandaan komt :
het stapeltje onopgelost . . .

Een iets uitgebreidere versie van deze blogartikelen vind je op de website mellegerkalleping onder de titel " Berglopen "

zondag 2 oktober 2011

Sint Joris en de draak


Sint Joris en de draak

Het verhaal is wereldwijd gelijk : Sint Joris en de draak staat synoniem voor de strijd van het goede tegen het kwade.

Joris is internationaal, in Engeland verslaat hij de draak als Saint George
In Spanje trekt hij ten strijde als San Jordi, de Russen dwepen met Svjatoj Georgij en de Grieken kennen hem onder de naam Agios Georgios.

Uiteraard is onze heilige onder nog veel meer namen bekend, maar we laten het even bij de bovenvernoemde.
Voor het hele, ware of niet ware, legendeverhaal verwijs ik graag naar Wikipedia en alle andere sites die heel veel te vertellen hebben over deze bijzondere heilige.

Ook in de mergelgroeven heeft onze Drakendoder een plekje gevonden.
In de (middeleeuwse) groeve Caestert staat Sint Joris in een grote complexe tekening afgebeeld. Complex omdat de tekening opgebouwd is uit allerlei, vaak nog niet verklaarde, symboliek. Naar onder andere deze tekening is vrij recent nog een gedegen onderzoek gedaan door een tweetal studentes kunstgeschiedenis van de Radbout Universiteit te Nijmegen, dat resulteerde in de publicatie “ zotheid in de duisternis”

In de Kapellengroeve (middels een doorbraak aangesloten bij de groeve Caestert) staat de figuur Joris heel simpel en duidelijk in een paar lijnen afgebeeld.
Het is juist deze laatste die mij persoonlijk het meeste aanspreekt:
De eenvoud waarmee het getekend is ontroerend!

Een simpel rond hoofd met stipjes en streepjes voor ogen, neus, mond en haar, een grote driehoek als lijf met duidelijk erdoorheen een streep als lans of speer. Direct daaronder een draak(je), de kop rechts, stekels op de rug en links de staart.
Een kind zou het getekend kunnen hebben, zo simpel ziet het er uit!

Of was de tekenaar soms iemand die vaker de tekenstift hanteerde? Iemand die het in zich had om in een paar simpele lijnen een treffend tafereel uit te beelden? De toegepaste techniek, namelijk het roet van een olielampje stukje voor stukje aanbrengen maakt het er zeker niet makkelijker op.

Zijn de kleine afbeeldingen rondom Sint Joris ook symbolen? Afgekeken van de “grote” Sint Joris? Allemaal vragen die hoogstwaarschijnlijk nooit beantwoord zullen worden. Het blijft een mysterie voor de eeuwigheid lijkt mij.

De legende van Sint Joris en de draak sprak de middeleeuwse mens
(men schat de ouderdom van de tekening eind 14de eeuw) en dus ook
de werkers in de groeve zeker aan.
De vlak erbij getekende bierpul verwijst, voor mijn gevoel dan weer, naar het alledaagse leven van de mensen toen.

Er zijn meer berglopers gecharmeerd van de “kleine” Sint Joris zoals hij liefkozend genoemd wordt. Bergkenner en onderzoeker Ton Breuls schreef een mooi artikel over deze tekening in het jubileum nummer van de Studiegroep Onderaardse Kalksteengroeven: SOK Mededelingen nummer 50 uitgegeven in januari 2009.

Een iets uitgebreidere versie van deze blogartikelen vind je op de website mellegerkalleping onder de titel " Berglopen "